Stroman Gedichten

13 oktober 2011

Jonkvrouwe van Schouwen

De jonkvrouwe van Schouwen
kon men niet de deur uit douwen
want ze had zich volgevreten
als een echte mastodont

Ze stond bekend als lekkerbek
en had een heuse derrière
groot genoeg om op te zitten
om er deuren mee te sperren
ze vrat dagelijks zich ongans
aan paté en aan bonbons
die zij er samen met pasteitjes
op de étagère vond

Ze schranste dag en nacht zich rond
de veelvraat lag er in haar mond
ze pakte alles wat ze pakken kon
in Huize Belvédère
stonk naar ganzenlever, biefstuk,
kaviaar en naar Gruyère
en vanochtend ongerieflijk
ineens naar de volière

Nee, zo ging het echt niet verder
ieder zag wel de misère
en ik wilde haar doen lijnen
maar ze rook meteen al lont

En zij ontsnapte mij alweer
nu met een aanloopje van verre
sprong er over het dressoir
en nam een zweefduik naar de serre
waar ze klaar stond op vier poten
in een vreselijk gegrom
terwijl zij tussen de gordijnen
nog de kaketoe verslond

Zo was de jonkvrouwe van Schouwen
groot van stuk en onbehouwen
niemand lustte er nog brood van
toen zij daar in veren stond









Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen