Stroman Gedichten

12 oktober 2011

De Hospita

Hij is doof - vertelde ze
waarna zij grijnzend verdween
achter haar blauwe rookgordijn
likkend aan een grote envelop
voor een volslagen onbekende

Mijn lieve woordjes waren tevergeefs
evenals haar oude koffie - zure melk
en haar gedroomde Nachtwacht
die zij ooit had geborduurd op stille avonden
van het eenzame verlaten
met naald - garen - koffiekringen
en zoete nasmaak van likeur

Zijn ogen waren als de hare
als ballonnen opgeblazen
je ziet ze nog bij wolven soms
in hongerige sprookjes
of bij uitgehooide koeien
zottig dansend over land


Hij was verre nog van wolf
en beslist nog geen coyote
draaide rondjes als een rolmops
losgelaten in mijn schoot
en hij likte alsmaar door
in plooien die ik hield gesloten
als een opgewonden schoothond
die te ver was doorgeschoten

In mijn ogen - in mijn handen
voelde ik zijn rode loper
uitgerold als likkepotje
over alle delen gaan
en hij staarde opgeblazen
met zijn veel te grote ogen
naar zijn baasje die wat rozig
onderuit nu was gegaan

Hij is zo lief- sprak zij geriefelijk
ze had er van genoten
lichtjes spreidde zij haar benen
toen ze voor mij nog kwam staan
en zij ademende als hij
die in mijn knieën lag verscholen
voor de dag die er zou komen
voor de dood of gladiolen

Ik moet gaan - zei ik beleefd
en alle hoop leek nu verloren
ogen groot nog als de hare
met dezelfde doffe schijn
ik keek nog één keer naar haar om
en naar het Gilde van van Rijn
en naar het hondje op de voorgrond
dat van haar toch bleek te zijn





Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen